ECLI:NL:PHR:2010:BK3348
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf wegens onjuiste grondslag wijziging vordering
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Hof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor diefstal met geweld en oplichting, en waarbij de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf werd gelast. De verdachte was eerder veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd, en het Openbaar Ministerie vorderde de tenuitvoerlegging van deze straf vanwege nieuwe strafbare feiten.
Het hof oordeelde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd had schuldig gemaakt aan strafbare feiten uit de zaken A en C, en wijzigde daarmee kennelijk de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging, die oorspronkelijk was gebaseerd op de feiten uit zaak B. De verdediging voerde aan dat deze wijziging onrechtmatig was omdat de verdachte in zaak B was vrijgesproken en dat het hof niet van de vordering mocht afwijken zonder nieuwe vordering van het OM.
De Hoge Raad stelt dat het hof het zesde lid van artikel 14i Sr heeft miskend door de grondslag van de vordering tot tenuitvoerlegging te wijzigen zonder dat de Advocaat-Generaal dit had aangegeven. Hierdoor stond het hof niet vrij om de tenuitvoerlegging te gelasten op basis van de bewezenverklaring in zaken A en C. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging betreft en verwijst de zaak terug voor een passende beslissing, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging betreft vanwege onjuiste wijziging van de grondslag van de vordering.