ECLI:NL:PHR:2010:BK3361
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid bij ontucht met minderjarige jonger dan 12 jaar ondanks beroep op verontschuldigbare dwaling
In deze zaak stond de vraag centraal of een 14-jarige verdachte die seksuele handelingen verrichtte met een meisje jonger dan 12 jaar, zich kon beroepen op verontschuldigbare dwaling omtrent de leeftijd van het slachtoffer. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie en een schadevergoedingsmaatregel. De raadsman voerde aan dat verdachte niet wist en ook niet behoefde te weten dat het slachtoffer jonger was dan 12 jaar, en dat het leeftijdsverschil gering was.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever met artikel 244 Sr Pro de lichamelijke integriteit van kinderen jonger dan 12 jaar hoog heeft gesteld en dat het enkele feit dat opzet op de leeftijd ontbreekt de strafbaarheid niet uitsluit. Het beroep op verontschuldigbare dwaling wordt slechts in zeer bijzondere omstandigheden aangenomen, en de verdachte had onvoldoende feiten aangevoerd om dit te onderbouwen. Ook de jeugdige leeftijd en lage begaafdheid van verdachte boden geen grond voor ontslag van rechtsvervolging.
De Hoge Raad benadrukte dat de bescherming van zeer jonge kinderen prioriteit heeft en dat het objectieve karakter van de leeftijdsgrens in artikel 244 Sr Pro een bewuste afweging is van belangen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat verdachte niet verontschuldigbaar heeft gedwaald over de leeftijd van het slachtoffer. Het beroep op rechtsdwaling werd daarom verworpen en de veroordeling bevestigd.
Uitkomst: Het beroep op verontschuldigbare dwaling werd verworpen en de veroordeling voor poging tot ontucht met een minderjarige jonger dan 12 jaar bevestigd.