ECLI:NL:PHR:2010:BK4406
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens ontbreken motivering afwijking standpunt gezamenlijke huishouding bij bijstandsfraude
Verzoeker werd door het hof veroordeeld wegens het verzwegen van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-echtgenote, met het oog op het verkrijgen of behouden van bijstand. De tenlastelegging betrof perioden tussen april 2000 en juli 2004 waarin hij en de ander volgens het hof samenwoonden en dit verzwegen hadden tegenover de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten.
De verdediging stelde dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, onderbouwd met verklaringen van verzoeker, zijn ex-echtgenote en hun dochter, die allen aangaven dat verzoeker weliswaar overdag op het adres van de ex-echtgenote verbleef voor verzorging, maar 's nachts in zijn eigen woning sliep. Tevens werd aangevoerd dat de politieverklaringen waarop het hof zich baseerde, onjuist en onder druk tot stand waren gekomen.
Het hof wees deze verweren af en verklaarde de feiten bewezen, maar gaf niet in het bijzonder de redenen aan waarom het afweek van het uitdrukkelijk en onderbouwd ingenomen standpunt van de verdediging. Dit is in strijd met artikel 359, tweede lid, Sv. De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim nietigheid tot gevolg heeft en vernietigt het arrest, wijzend de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering voor de afwijking van het verdedigingstandpunt over de gezamenlijke huishouding.