ECLI:NL:PHR:2010:BK4523
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over voortzetting versus staking bij verplaatsing agrarische onderneming en toepassing geruisloze inbreng
Belanghebbende dreef een melkveehouderij in Nederland en bracht deze geruisloos in een BV in. Vervolgens werden bedrijfsmiddelen en activiteiten naar Duitsland verplaatst, waar een nieuwe melkveehouderij werd gestart. De Inspecteur stelde dat sprake was van staking en liquidatie van de Nederlandse onderneming, zodat de geruisloze inbreng niet van toepassing was.
De Rechtbank oordeelde dat geen sprake was van liquidatie, omdat de bedrijfsvoering op dezelfde locatie werd voortgezet en bedrijfsmiddelen onveranderd werden ingezet. Het Hof vernietigde dit oordeel en stelde dat de inbreng onderdeel was van een geheel van rechtshandelingen gericht op liquidatie en start van een nieuwe onderneming in Duitsland.
De Hoge Raad herbeoordeelde de zaak en stelde dat de onderneming economisch dezelfde bleef, ondanks de verplaatsing en enkele wijzigingen in omvang en afzetkanalen. Omdat de aard van de productie gelijk bleef en geen wezenlijke wijziging in goodwillbepalende factoren was, was geen staking aanwezig. De geruisloze inbreng in de BV op grond van artikel 18 Wet Pro IB 1964 was derhalve terecht toegestaan.
De uitspraak benadrukt het belang van feitelijke omstandigheden bij de beoordeling van staking versus voortzetting, waarbij economische continuïteit en gelijkheid van onderneming centraal staan. De Hoge Raad pleit voor een terughoudende benadering van staking bij bedrijfsverplaatsing, tenzij er wezenlijke wijzigingen optreden.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de onderneming economisch dezelfde is gebleven na verplaatsing, waardoor de geruisloze inbreng in de BV terecht is toegepast.