ECLI:NL:PHR:2010:BK6025
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing EG-verdragsvrijheden op dividendbelastingheffing tussen Nederland en Nederlandse Antillen
De zaak betreft de heffing van Nederlandse dividendbelasting over dividenduitkeringen door een in Nederland gevestigde dochtervennootschap aan haar moedermaatschappij op de Nederlandse Antillen. De belanghebbende stelde dat deze heffing in strijd is met het vrije kapitaalverkeer zoals neergelegd in artikel 56 EG Pro-Verdrag en het LGO-Besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen.
De Rechtbank stelde vast dat de Nederlandse Antillen voor de toepassing van het EG-Verdrag en de EG-verdragsvrijheden niet als lidstaat of derde land gelden, maar onderdeel zijn van een bijzondere associatieregeling. Hierdoor geldt het vrije kapitaalverkeer niet in algemene zin voor de relatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen. De rechtbank oordeelde dat de heffing van dividendbelasting geen verboden belemmering van het kapitaalverkeer vormt en dat de wijziging van het tarief in 2002 niet leidt tot een nieuwe beperking die niet onder de standstill-bepaling valt.
De Hoge Raad bevestigt dat de EG-verdragsvrijheden niet van toepassing zijn op interne situaties binnen het Koninkrijk, zoals de relatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen. Ook het LGO-Besluit brengt geen andere uitkomst. Voor het geval dat het vrije kapitaalverkeer toch van toepassing zou zijn, geldt dat bij meerderheidsbelangen het vestigingsaspect overheerst en het kapitaalverkeer niet zelfstandig kan worden ingeroepen. Het beroep van de belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de belanghebbende wordt ongegrond verklaard; de dividendbelastingheffing is niet in strijd met het vrije kapitaalverkeer.