ECLI:NL:PHR:2010:BK8085
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot betaling kinderalimentatie voor studiekosten na meerderjarigheid
Deze zaak betreft het verzoek van een moeder en haar dochter om de vader te verplichten vanaf 1 februari 2002 een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie van de dochter, die in 1984 is geboren.
De rechtbank Dordrecht wees de verzoeken af, waarbij zij onderscheid maakte tussen de periode tot de meerderjarigheid van de dochter en de periode daarna tot haar 21e verjaardag. Voor de eerste periode werd het verzoek afgewezen wegens onvoldoende aangetoonde behoefte, aangezien de dochter geen studie volgde. Voor de tweede periode werd het verzoek afgewezen omdat de dochter geen concrete studieplannen aannemelijk had gemaakt.
Het hof te 's-Gravenhage bekrachtigde deze afwijzing en oordeelde dat het verzoek alleen kan worden toegewezen indien de dochter behoefte heeft aan een bijdrage. Het hof vond dat die behoefte onvoldoende was aangetoond. Het cassatiemiddel klaagde onder meer dat een bijdrage in studiekosten zonder meer toewijsbaar zou zijn en dat het feit dat de dochter bij haar moeder woonde niet aan de toewijsbaarheid afdoet.
De Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep, stellende dat het middel niet tot cassatie kan leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verwierp het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
Uitkomst: Het verzoek tot bijdrage in kinderalimentatie voor de studiekosten is afgewezen wegens onvoldoende aangetoonde behoefte.