ECLI:NL:PHR:2010:BL1124

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03349
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens boedelachterstand

Verzoeker heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 18 augustus 2009, waarin het hof het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009 heeft bekrachtigd. Dit vonnis beëindigde de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoeker wegens een boedelachterstand van ruim €12.000.

Het cassatieberoep richt zich op de stelling dat geen sprake zou zijn van een boedelachterstand omdat alle inkomsten van verzoeker in de boedel zouden zijn gevloeid. De Hoge Raad oordeelt dat deze stelling in cassatie niet kan worden onderzocht omdat het een feitelijke beoordeling betreft die niet in cassatie aan de orde kan komen. Tevens is deze stelling een ongeoorloofd novum.

Daarom wordt het cassatieberoep verworpen met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, zonder dat rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoeven te worden beantwoord.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt bevestigd.

Conclusie

09/03349
Mr L. Strikwerda
Parket, 22 jan. 2010
conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 augustus 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds werd beëindigd, bekrachtigd.
2. Het cassatieberoep berust op één middel. Het middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3. Het middel betoogt dat het hof ten onrechte en/of op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat er sprake is van een boedelachterstand. Het middel stelt dat géén sprake is van een boedelachterstand, aangezien alle inkomsten van [verzoeker] in de boedel zouden zijn gevloeid.
4. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [verzoeker] in feitelijke instanties de bevinding van de bewindvoerder dat er sprake is van een boedelachterstand (van ruim Euro 12.000,-) heeft betwist. Noach heeft slechts aangevoerd dat hem geen verwijt valt te maken van het oplopen van de boedelachterstand. De beoordeling van de voor het eerst in cassatie aangevoerde stelling dat geen sprake is van een boedelachterstand, vergt een onderzoek van overwegend feitelijke aard. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Het middel berust derhalve op een ongeoorloofd novum in cassatie (vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 137) en is daarom tevergeefs voorgesteld.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,