ECLI:NL:PHR:2010:BL2828
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid machtiging voor telefonietap bij opzetheling grote partij gestolen goederen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte is veroordeeld wegens medeplegen van opzetheling van een uitzonderlijk grote partij gestolen printercartridges en kunststof pallets met een waarde van circa €200.000.
De verdediging stelde dat het bevel tot het opnemen van telecommunicatie onrechtmatig was omdat het misdrijf niet ernstig genoeg was om een dergelijke inbreuk op de privacy te rechtvaardigen. De Hoge Raad herhaalt de criteria uit eerdere jurisprudentie dat de rechter-commissaris moet toetsen of sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde en dat het hof slechts mag toetsen of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen.
Het hof had geoordeeld dat de omvang en de economische schade van de heling een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormden, en dat de rechter-commissaris daarom terecht de machtiging had verleend. De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en wijst het cassatieberoep af. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het gebruik van een getuigenverklaring door het hof niet onrechtmatig was en dat de verklaring niet is gedenatureerd.
De uitspraak bevestigt dat omvangrijke economische delicten zoals opzetheling van grote partijen gestolen goederen een ernstige inbreuk op de rechtsorde kunnen vormen die het gebruik van bijzondere opsporingsbevoegdheden rechtvaardigen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van de machtiging voor telefonietap en wijst het cassatieberoep af.