ECLI:NL:PHR:2010:BL3144
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van het hof tot schorsing van voorlopige hechtenis in hoger beroep
In deze cassatie in het belang der wet is de vraag aan de orde gesteld of het gerechtshof bevoegd is om een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis te behandelen wanneer dit verzoek wordt gedaan tijdens de behandeling van een hoger beroep tegen een beschikking tot gevangenhouding. De verdachte had tijdens het hoger beroep een mondeling verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan, dat het hof niet-ontvankelijk verklaarde. De Hoge Raad onderzoekt de wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis, met name de artikelen 71, 80, 86 en 87 van het Wetboek van Strafvordering, en de wetsgeschiedenis van deze bepalingen.
De Hoge Raad stelt vast dat de wetgever met de wijzigingen in 1973 en latere aanpassingen heeft beoogd de mogelijkheden tot schorsing van voorlopige hechtenis te verruimen. Daarbij is expliciet geregeld dat de rechter die bevoegd is om over voorlopige hechtenis te beslissen, ook bevoegd is om de voorlopige hechtenis te schorsen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Dit betekent dat het hof, wanneer het in hoger beroep over voorlopige hechtenis oordeelt, ook een verzoek tot schorsing kan behandelen en niet alleen wanneer het hoger beroep ziet op een beslissing over een schorsingsverzoek zelf.
De Hoge Raad wijst erop dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dat slechts beperkte mogelijkheden tot hoger beroep tegen voorlopige hechtenisbeslissingen biedt, niet zo moet worden uitgelegd dat een verzoek tot schorsing in hoger beroep niet-ontvankelijk is wanneer het niet is gedaan in het kader van een afwijzing van een schorsingsverzoek door de rechtbank. De wetsgeschiedenis en literatuur ondersteunen deze ruimere interpretatie. Het hof had het verzoek van verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het een onjuiste rechtsopvatting heeft gehuldigd.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking in het belang der wet en beslist dat het hof bevoegd is om een verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis te behandelen tijdens de behandeling van hoger beroep tegen een beschikking tot gevangenhouding. Deze beslissing heeft geen gevolgen voor de uitkomst van de onderliggende zaak.
Uitkomst: Het hof mag een verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis in hoger beroep niet onontvankelijk verklaren; het is bevoegd dit verzoek te behandelen.