ECLI:NL:HR:2010:BL3144
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van het hof tot schorsing van voorlopige hechtenis bij hoger beroep
In deze cassatie in het belang der wet stond de vraag centraal of het gerechtshof bevoegd is om een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis te behandelen wanneer het hoger beroep betreft tegen een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. De rechtbank Arnhem had op 19 januari 2006 de gevangenhouding bevolen en een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen. De verdachte ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof verklaarde het verzoek tot schorsing niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad onderzocht de wettelijke bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering, met name de artikelen 71, 80, 86 en 87 Sv, en de wetsgeschiedenis van de wijzigingen uit 1973. Hieruit volgt dat de rechter die in eerste aanleg of hoger beroep over voorlopige hechtenis beslist, ook bevoegd is om de voorlopige hechtenis te schorsen op verzoek van verdachte, het OM of ambtshalve. Dit geldt niet alleen bij hoger beroep tegen de strafzaak zelf, maar ook bij hoger beroep tegen een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof ten onrechte het verzoek tot schorsing niet-ontvankelijk had verklaard en vernietigde de beschikking in het belang der wet. Hiermee is bevestigd dat het hof bevoegd is om schorsing van voorlopige hechtenis te bevelen in de genoemde situaties, wat een belangrijke verduidelijking is van het stelsel van rechtsmiddelen omtrent voorlopige hechtenis.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis en bevestigt de bevoegdheid van het hof tot schorsing bij hoger beroep.