ECLI:NL:PHR:2010:BL4089

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00281
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 7:448 BWArt. 7:464 BW
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voorlopige machtiging opname psychiatrische inrichting en geneeskundige verklaring

De rechtbank Amsterdam verleende op 19 oktober 2009 een voorlopige machtiging voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrische inrichting voor zes maanden. Betrokkene stelde in cassatie dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke eisen voldeed, omdat zij nooit door de genoemde behandelend psychiater was onderzocht. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht feitelijk niet was ingebracht bij de rechtbank en dat de beslissing mede gebaseerd was op aanvullend onderzoek door een andere psychiater die de verklaring ondertekende.

Daarnaast klaagde betrokkene dat noch de behandelend psychiater noch de onderzoekend psychiater had voldaan aan de informatieplicht jegens haar over het onderzoek. De Hoge Raad stelde vast dat dit verweer niet bij de rechtbank was gevoerd en dat de rechtbank mocht aannemen dat de onderzoekend psychiater voldoende had geprobeerd betrokkene te informeren, ondanks haar weigering tot medewerking.

De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank niet gehouden was tot nadere motivering over de rol van de behandelend psychiater en dat de geneeskundige verklaring en aanvullende informatie voldoende waren om de machtiging te rechtvaardigen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrische inrichting blijft gehandhaafd.

Conclusie

10/00281
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 12 februari 2010
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Amsterdam
1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Bij beschikking van 19 oktober 2009 heeft de rechtbank te Amsterdam een voorlopige machtiging verleend om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven voor de duur van zes maanden. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Middel I klaagt dat rechtens onjuist is dat, althans onbegrijpelijk is waarom, de rechtbank de machtiging heeft verleend hoewel de geneeskundige verklaring van 22 september 2009 niet aan de wettelijke voorschriften voldoet. Die verklaring vermeldt dat de onderzoekende psychiater de behandelend psychiater [betrokkene 1] heeft geraadpleegd. Volgens het middel heeft betrokkene gesteld dat zij nooit bij [betrokkene 1] in behandeling is geweest, noch door haar is onderzocht. Daarom had de onderzoekend psychiater niet mogen volstaan met het enkele noemen van [betrokkene 1] als behandelend psychiater zonder verdere motivering van de behandeling die heeft plaatsgevonden.
3. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat uit niets - ook niet uit het proces-verbaal van de zitting - blijkt dat door of namens betrokkene bij de rechtbank dit standpunt naar voren is gebracht. Bovendien mist betrokkene belang bij deze klacht, omdat de beschikking van de rechtbank is gebaseerd op de resultaten van het psychiatrisch onderzoek door [betrokkene 2], die de geneeskundige verklaring heeft ondertekend, en op de ter zitting van haar verkregen aanvullende informatie. Volgens de geneeskundige verklaring heeft [betrokkene 2] inlichtingen ingewonnen bij de psychiater [betrokkene 1]. Deze had de collegiale brief van 24 augustus 2009 (aanvraag beoordeling voor het verkrijgen van een voorlopige machtiging) medeondertekend. Zelfs indien [betrokkene 1] in de geneeskundige verklaring ten onrechte door [betrokkene 2] zou zijn aangeduid als behandelend psychiater van betrokkene - dit vergt een onderzoek naar de feiten, waarvoor in cassatie geen plaats is -, zou geen rechtsregel de rechtbank beletten haar beslissing mede te gronden op de geneeskundige verklaring en de aanvullende informatie van [betrokkene 2]. Tot nadere motivering op dit punt was de rechtbank niet gehouden. Middel I faalt.
4. Middel II klaagt dat onjuist is, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, dat de rechtbank de machtiging heeft verleend hoewel noch [betrokkene 1] noch [betrokkene 2] heeft voldaan aan de in art. 7:448 in Pro verbinding met art. 7:464 BW Pro neergelegde verplichting tot het informeren van de patiënt over het onderzoek met het oog op de geneeskundige verklaring.
5. Ook deze klacht stuit af op het feit dat een daartoe strekkend verweer niet is gevoerd in de procedure bij de rechtbank. Ook inhoudelijk faalt de klacht. Het middel kiest tot uitgangspunt dat ook bij handelingen op het gebied van de geneeskunst anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst een arts ingevolge het bepaalde in art. 7:448, leden 1 en 2, in verbinding met art. 7:464, lid 1, BW gehouden is de patiënt op een duidelijke wijze, desgevraagd schriftelijk, in te lichten over het voorgenomen onderzoek(1). Het handelen van [betrokkene 1] stond in dit geding niet ter beoordeling van de rechtbank. Voor wat betreft het psychiatrisch onderzoek van [betrokkene 2], heeft de rechtbank op grond van (blz. 6 van) de geneeskundige verklaring tot het oordeel kunnen komen dat deze arts voldoende moeite heeft gedaan om te trachten betrokkene met informatie over het voorgenomen onderzoek te bereiken. Betrokkene weigerde blijkbaar medewerking aan het psychiatrisch onderzoek. Middel II faalt. Toepassing van art. 81 RO Pro wordt in overweging gegeven.
6. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie onder meer: HR 9 januari 1998 (LJN: ZC2538), NJ 1998, 456 m.nt. F.C.B. van Wijmen en HR 3 november 2000 (LJN: AA8079), NJ 2000, 717. Zie voorts: Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. C.2.2 op art. 5 (W. Dijkers). De problemen als gevolg van de geleidelijk uitgebreide inwerkingtreding van art. 7:464 BW Pro kunnen m.i. in deze zaak onbesproken blijven.