ECLI:NL:PHR:2010:BL4111
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herstel van foutieve duur tenuitvoerlegging voorwaardelijke rijontzegging
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid werd gelast. De verdachte was door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien maanden. Dit betrof echter een vergissing, aangezien het oorspronkelijke vonnis van de politierechter te Arnhem van 26 juni 2006 een voorwaardelijke ontzegging van slechts vier maanden had opgelegd.
Namens de verdachte werd aangevoerd dat het hof ten onrechte de tenuitvoerlegging van een langere ontzegging had bevolen dan die was opgelegd. Uit het dossier bleek dat de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van zes maanden had gekregen, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof had abusievelijk de tenuitvoerlegging van tien maanden gelast in plaats van vier maanden.
De Hoge Raad oordeelde dat deze misslag hersteld kon worden en vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor zover het de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke rijontzegging betrof. De Hoge Raad beval de tenuitvoerlegging van de juiste duur van vier maanden en verwierp het beroep voor het overige. Er waren geen gronden om het arrest ambtshalve te vernietigen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van nauwkeurigheid in de tenuitvoerlegging van straffen en corrigeert een administratieve fout zonder de inhoudelijke veroordeling aan te tasten.
Uitkomst: De Hoge Raad herstelt de duur van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke rijontzegging van tien maanden naar vier maanden.