ECLI:NL:PHR:2010:BL5416
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering vordering in jaarrekening na faillissement en rechterlijk vonnis
Deze zaak betreft een vordering van een aandeelhouder om een vennootschap te bevelen haar jaarrekening over 2001 opnieuw in te richten vanwege de waardering van een vordering op een failliete debiteur. De jaarrekening was vastgesteld op 16 december 2004, terwijl het vonnis dat aansprakelijkheid van een bestuurder bevestigde pas op 25 mei 2005 werd gewezen.
De Ondernemingskamer oordeelde dat de waardering van de vordering niet tot nihil hoefde te worden afgewaardeerd omdat het vonnis van de rechtbank Haarlem, hoewel na vaststelling, teruggrijpt op feiten en omstandigheden die al voor de balansdatum bestonden. De Hoge Raad bevestigt dat de jaarrekening moet worden vastgesteld met inachtneming van de financiële toestand op de balansdatum en dat gebeurtenissen na vaststelling alleen in uitzonderlijke gevallen tot aanpassing leiden.
Het cassatieberoep van de aandeelhouder wordt verworpen, waarbij het voorzichtigheidsbeginsel niet is geschonden en de Ondernemingskamer haar beoordelingsvrijheid omtrent de verhaalbaarheid van de vordering niet heeft overschreden. De Hoge Raad benadrukt dat de waardering van vorderingen moet plaatsvinden op basis van objectieve aanwijzingen die op balansdatum aanwezig zijn, en niet op basis van latere rechterlijke uitspraken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de waardering van de vordering in de jaarrekening blijft ongewijzigd.