ECLI:NL:PHR:2010:BL6287
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot tenuitvoerlegging Nederlandse gevangenisstraf na tijdelijke uitlevering aan Duitsland en verjaring
De zaak betreft de vraag of de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een in Nederland opgelegde gevangenisstraf is vervallen door verjaring, terwijl de veroordeelde tijdelijk aan Duitsland was uitgeleverd om daar een andere straf te ondergaan.
De veroordeelde werd in 1977 in Nederland veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf. In 1978 werd hij tijdelijk aan Duitsland uitgeleverd voor vervolging en werd hij in 1980 tot levenslang veroordeeld. De Nederlandse overheid stemde later in met een definitieve uitlevering aan Duitsland. De veroordeelde werd in 2000 definitief in vrijheid gesteld in Duitsland en vervolgens in Nederland gesignaleerd voor de uitvoering van de Nederlandse straf.
De veroordeelde stelde dat de Nederlandse straf niet meer ten uitvoer kon worden gelegd wegens verjaring en gerechtvaardigd vertrouwen dat hij de Nederlandse straf niet hoefde uit te zitten. Zowel rechtbank als hof verwierpen deze stellingen. De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van 24 jaar niet doorliep tijdens de detentie in Duitsland, omdat de wet bepaalt dat de executieverjaring wordt geschorst zolang de veroordeelde een andere straf ondergaat, ongeacht of deze in Nederland of in het buitenland wordt uitgevoerd.
De Hoge Raad oordeelt verder dat de briefwisseling en afspraken geen gerechtvaardigd vertrouwen scheppen dat de Nederlandse straf niet meer zal worden uitgevoerd. De omstandigheid dat straffen na elkaar en niet gelijktijdig worden uitgevoerd, maakt de executie niet onrechtmatig of in strijd met het EVRM.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de executieverjaring is geschorst zolang de veroordeelde in het buitenland een andere straf ondergaat en verwerpt het cassatieberoep.