ECLI:NL:PHR:2010:BL7644
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling pensioenrechten bij ontbinding huwelijksgemeenschap en afvloeiingsregeling Shell
Partijen waren gehuwd in Polen en hun huwelijk werd in 1980 ontbonden. Tijdens het huwelijk ontstond een huwelijksgoederengemeenschap die volgens Nederlands recht moest worden gescheiden en verdeeld. De man was werkzaam bij Shell en ontving na beëindiging dienstverband per 1 januari 1987 een uitkering met een long life en een temporary component. De vrouw startte een procedure voor verdeling van de huwelijksgemeenschap, waarbij het geschil zich concentreerde op de verdeling van pensioenrechten.
Het hof oordeelde dat pensioenrechten verdeeld moesten worden volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (Boon/Van Loon) en dat de long life component van de uitkering niet tot het verrekenbare pensioen behoorde. Tevens werd vastgesteld dat het ouderdomspensioen vanaf de ontbinding van het huwelijk (21 augustus 1980) moest worden verdeeld. Het weduwepensioen werd ook meegenomen in de verdeling. De vrouw kreeg een bedrag toegekend voor overbedeling, rekening houdend met geïnde pensioenbedragen en betalingen aan de man.
De vrouw stelde vier cassatiemiddelen aan, waaronder een klacht over wisseling van rechters, de grondslag van de pensioenberekening, en de bewijswaardering omtrent een betaling van fl. 14.320,92. De Hoge Raad verwierp alle middelen, oordeelde dat de klacht over rechters onvoldoende onderbouwd was, bevestigde de pensioenverdeling en de uitleg van het hof over bindende eindbeslissingen, en vond het bewijs van de vrouw over de betaling ongeloofwaardig. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de arresten van het hof blijven in stand.