ECLI:NL:PHR:2010:BL8864
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kapitaalsbelasting en verdragsrechtelijke vestigingsplaats van aandeelhouder
Deze zaak betreft de heffing van kapitaalsbelasting over de inbreng in 2000 en vier kapitaalstortingen in 2001 in een Nederlandse vennootschap (belanghebbende) door haar aandeelhoudster B, opgericht naar Antilliaans recht. De belanghebbende betwistte de heffing met een beroep op het Nederlands-Zwitserse Vriendschapstraktaat van 1875 en het belastingverdrag met Zwitserland.
De Rechtbank oordeelde dat B feitelijk in Zwitserland was gevestigd, terwijl het Hof concludeerde dat B feitelijk op Curaçao was gevestigd. Het Hof verwierp het beroep op het Traktaat en het belastingverdrag. De Hoge Raad bevestigt dat het Traktaat geen verdergaande rechtsbescherming biedt dan het belastingverdrag en dat feitelijke vestiging geen nationaliteit creëert. De belanghebbende is volgens het Traktaat en het belastingverdrag Nederlander, omdat zij naar Nederlands recht is opgericht.
De Hoge Raad stelt dat de vraag of B fiscaal inwoner van Zwitserland is, een rechtsvraag is die mede afhangt van het Zwitserse recht. Het Hof had zich daarom van ambtswege in het Zwitserse recht moeten verdiepen en niet slechts een bewijsoordeel moeten vellen. De zaak wordt daarom deels gegrond verklaard en verwezen naar een ander Hof voor nadere beoordeling van de vestigingsplaats van B volgens Zwitsers recht.
Het arrest verduidelijkt de toepassing van verdragsrechtelijke bepalingen op kapitaalsbelasting en benadrukt het belang van een juiste rechtsvraagstelling en toetsing van buitenlands recht bij internationale fiscale geschillen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt deels gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen naar een ander Hof voor nadere beoordeling van de vestigingsplaats van de aandeelhoudster volgens Zwitsers recht.