ECLI:NL:PHR:2010:BM0137
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid civielrechtelijke dwangsom voor fiscale informatieplicht
In deze zaak vordert de Belastingdienst dat de belastingplichtige op straffe van een dwangsom informatie verstrekt over vermeende buitenlandse bankrekeningen op grond van artikel 47 AWR Pro. De belastingplichtige weigert dit en beroept zich onder meer op schending van de publiekrechtelijke regeling en op de rechtmatigheid van de verkregen buitenlandse gegevens.
De Rechtbank en het Hof verklaren de vordering van de Belastingdienst gegrond en bevestigen dat de civielrechtelijke weg met dwangsom geen onaanvaardbare doorkruising van publiekrecht inhoudt. De belastingplichtige heeft onvoldoende concreet gereageerd op de specifieke vragen en had de formulieren kunnen invullen, ook in ontkennende zin.
De Hoge Raad wijst de cassatieberoepen af. Hij oordeelt dat de civielrechtelijke dwangsom een passend middel is, dat de Belastingdienst niet verplicht is om vooraf inzage te geven in de buitenlandse startinformatie, en dat het gebruik van buitenlandse gegevens, ook indien mogelijk onrechtmatig verkregen door derden, niet zonder meer verboden is. De bezwaren tegen de toepassing van de Bijstandsrichtlijn falen, evenals het betoog dat de dwangsom disproportioneel is.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de civielrechtelijke dwangsom rechtmatig is om nakoming van de fiscale informatieplicht af te dwingen.