ECLI:NL:PHR:2010:BM4309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herzieningsverzoek wegens onbetrouwbaarheid geuridentificatieproef bij inbraakzaak
Verdachte is veroordeeld door het Gerechtshof Arnhem wegens diefstal met braak in een viswinkel op 29 december 2002. De veroordeling berustte mede op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst, waarbij de speurhond Rex een overeenkomst in geur vaststelde tussen de verdachte en twee straatkeien die bij de inbraak waren veiliggesteld.
De verdediging verzocht om herziening van het vonnis op grond van art. 457 Sv Pro, stellende dat de geurproef onbetrouwbaar was omdat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers kende, wat strijdig is met de voorschriften. De Hoge Raad bevestigde dat geurproeven in de periode september 1997 tot maart 2006 in strijd met deze voorschriften zijn uitgevoerd en daarom niet als betrouwbaar bewijs kunnen gelden.
Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat de overige bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van getuigen en mededaders, voldoende waren om de veroordeling te dragen. Er was geen ernstig vermoeden dat de verdachte zonder de geurproef vrijgesproken zou zijn. Daarom werd het herzieningsverzoek ongegrond verklaard.
De zaak bevat uitgebreide bewijsopbouw met verklaringen van getuigen die de inbraak en het handelen van de verdachte bevestigen, alsmede proces-verbaal van de politie en de technische recherche. De geurproef werd uitvoerig beschreven, maar de onbetrouwbaarheid ervan leidde tot uitsluiting van dat bewijs. De Hoge Raad handhaafde de veroordeling op basis van het overige bewijs.
Het arrest bevestigt de strenge voorwaarden waaraan geuridentificatieproeven moeten voldoen en benadrukt dat onbetrouwbaar bewijs niet mag worden gebruikt, maar dat een veroordeling kan blijven staan indien voldoende ander bewijs aanwezig is.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard en de veroordeling blijft in stand.