ECLI:NL:PHR:2010:BM5125
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bestuurderschap en aansprakelijkheid voor belastingschuld na kennelijk onbehoorlijk bestuur
Belanghebbende werd in 1998 benoemd tot bestuurder van D B.V. en verleende een algehele bestuursvolmacht aan C B.V. Na een grondtransactie trad D B.V. op als bestuurder van H B.V., die omzetbelasting verschuldigd was over een levering in maart 2000. Belanghebbende stelde dat hij zijn bestuurderschap per brief van 29 februari 2000 had beëindigd en geen bestuurshandelingen meer had verricht na die datum.
Het Hof oordeelde aanvankelijk dat belanghebbende tot 11 december 2000 statutair bestuurder was en aansprakelijk voor de belastingschuld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak terug, waarbij werd benadrukt dat inschrijving in het handelsregister niet beslissend is voor het bestuurderschap.
Na verwijzing stelde het Hof dat belanghebbende feitelijk het bestuur bleef uitoefenen, maar dit oordeel werd door de Hoge Raad bekritiseerd wegens onvoldoende motivering. De Hoge Raad concludeerde dat de brief van 29 februari 2000 als een opzegging van het bestuurderschap moet worden gezien, waardoor het bestuurderschap is geëindigd vóór de belastingschuld ontstond.
De Hoge Raad benadrukte dat een bestuurder zijn functie eenzijdig kan neerleggen en dat aanvaarding door de vennootschap niet vereist is. De brief van belanghebbende bereikte de vennootschap en had directe werking. Daarmee is belanghebbende niet aansprakelijk voor de omzetbelasting die na zijn ontslagdatum is ontstaan.
Uitkomst: Belanghebbende is niet aansprakelijk voor de omzetbelasting die na 29 februari 2000 is ontstaan omdat zijn bestuurderschap toen rechtsgeldig is beëindigd.