ECLI:NL:HR:2010:BM5125
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over beëindiging bestuurderschap en aansprakelijkheid voor omzetbelasting
Belanghebbende werd aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde omzetbelasting van D B.V. over maart 2000. Na bezwaar en beroep vernietigde het hof de beschikking van de ontvanger en beperkte de aansprakelijkheid. De Hoge Raad vernietigde dit hofarrest en verwees de zaak terug, waarna het hof opnieuw oordeelde dat belanghebbende nog bestuurder was in maart 2000.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte de werkelijke uitoefening van het bestuurderschap als beslissend heeft beschouwd, terwijl het gaat om het statutair bestuurderschap. Belanghebbende had op 29 februari 2000 per brief aan B medegedeeld dat hij per direct niet meer als directeur geregistreerd wilde staan, wat neerkomt op onmiddellijke beëindiging van zijn bestuurderschap.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende en onjuiste motivering gaf om te concluderen dat belanghebbende zijn functie niet had neergelegd. De brief van 3 november 2000 en het aanhouden van een volmacht bieden geen tegenbewijs. Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest en de beschikking van de ontvanger, en wijst de zaak af. De Minister van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Belanghebbende heeft zijn bestuurderschap per 29 februari 2000 beëindigd en is niet aansprakelijk voor de omzetbelasting over maart 2000.