ECLI:NL:PHR:2010:BM8568
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling bij overtreding APV
De aanvrager verzocht herziening van een onherroepelijk vonnis van de kantonrechter Amsterdam wegens overtreding van artikel 2.8 lid 2 van de APV, waarbij hij bij verstek werd veroordeeld. Hij stelde dat niet hij, maar zijn broer het strafbare feit had gepleegd en dat zijn broer zijn persoonsgegevens gebruikte.
Ter onderbouwing overlegde de aanvrager een uittreksel justitiële documentatie, verklaringen van een betrokkene en een proces-verbaal waarin werd gesteld dat zijn broer zich eerder als hem had voorgedaan. De Hoge Raad analyseerde deze stukken en concludeerde dat zij uitsluitend betrekking hadden op eerdere feiten en niet op het hier relevante strafbare feit.
De Hoge Raad stelde vast dat de opgegeven persoonsgegevens bij de aanhouding waren geverifieerd aan de hand van foto en registratie, en dat de aanvrager niet aannemelijk had gemaakt dat de politie abusievelijk zijn broer had aangezien voor hem. Daarom ontbrak het aan een ernstig vermoeden dat de kantonrechter bij kennis van deze feiten tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou zijn gekomen.
De conclusie van de procureur-generaal was dat het herzieningsverzoek ongegrond is en de Hoge Raad heeft dit overgenomen, waardoor het verzoek tot herziening is afgewezen.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van persoonsverwisseling.