ECLI:NL:PHR:2010:BM9968
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over strafmotivering en in aanmerking nemen niet-tenlastegelegde feiten bij drugshandel
Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld wegens opzettelijke handel in verdovende middelen in de periode september 2006 tot januari 2007. Het hof legde een gevangenisstraf op, deels voorwaardelijk, een werkstraf en een geldboete. Bij de strafoplegging hield het hof ook rekening met een door verdachte erkend feit dat hij zich al vanaf begin 2005 met drugshandel bezighield, hoewel dit feit niet ten laste was gelegd.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof onterecht strafbare feiten heeft meegewogen die niet ten laste zijn gelegd en niet ad informandum zijn gevoegd. De Hoge Raad bevestigt dat de rechter slechts in specifieke gevallen niet-tenlastegelegde feiten mag betrekken bij de strafoplegging: als deze feiten ad informandum zijn gevoegd, als zij omstandigheden betreffen waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan, of als verdachte daarvoor onherroepelijk is veroordeeld.
In deze zaak was geen sprake van voeging ad informandum, noch van onherroepelijke veroordelingen voor de niet-tenlastegelegde feiten. Ook liet het hof na het verband tussen de feiten te motiveren. De Hoge Raad oordeelt dat het hof daarmee een onjuiste rechtsopvatting heeft getoond. Echter, een alternatieve lezing van de strafmotivering is mogelijk, waarbij het hof de erkenning van de verdachte als persoonlijke omstandigheid heeft meegewogen om een strafvermindering te weigeren.
De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt het arrest van het hof, zonder aanleiding tot vernietiging. De strafmotivering voldoet, behalve het betrekken van niet-tenlastegelegde feiten, aan de wettelijke eisen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafoplegging van het hof ondanks onjuiste motivering over niet-tenlastegelegde feiten.