ECLI:NL:PHR:2010:BN1400
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid op grond van schijn van bekrachtiging bij leaseovereenkomst
BMW Financial Services B.V. sloot een operational leaseovereenkomst voor een BMW 530d Sedan met een looptijd van 36 maanden. De overeenkomst vermeldde eiser als contractspartij, maar feitelijk was een ander persoon betrokken bij het ondertekenen, gebruik en betaling van de leaseauto. Na beëindiging van de overeenkomst vorderde BMW betaling van de eindafrekening.
Eiser stelde dat hij niet contractspartij was en dat de ander de overeenkomst had gesloten en de auto had ingeleverd. Zowel de kantonrechter als het hof wezen de vordering toe, waarbij het hof oordeelde dat BMW gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat eiser de contractspartij was, mede op grond van het niet-protesteren tegen facturen en het telefonisch contact.
De Hoge Raad bevestigt dat eiser aansprakelijk is op basis van schijn van bekrachtiging volgens artikel 3:69 BW Pro. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt door gedragingen van eiser, ook zonder expliciete wilsverklaring. De cassatieklachten worden verworpen omdat het hof voldoende heeft gemotiveerd en geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat eiser aansprakelijk is voor de leaseovereenkomst op grond van schijn van bekrachtiging.