ECLI:NL:PHR:2010:BN4162
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over overschrijding redelijke termijn bij profijtontneming en matiging ontnemingsbedrag
In deze zaak heeft het gerechtshof vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim drie maanden is overschreden, waarmee artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Het hof vond de overschrijding echter beperkt en zag daarom af van matiging van het te ontnemen bedrag van €77.847.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad betoogde dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het geen afweging van alle relevante belangen en omstandigheden bevatte, terwijl de overschrijding significant was en er geen gelijktijdige strafzaak was die de termijn kon verklaren. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar na het instellen van hoger beroep is overschreden zonder aanwijsbare reden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft en gaf aan dat het bedrag naar eigen inzicht kan worden verminderd. Voor het overige werd het beroep verworpen. Tevens werd opgemerkt dat ook het cassatieberoep binnen twee jaar niet zal worden afgerond, waardoor opnieuw sprake is van schending van de redelijke termijn.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft en zal het bedrag naar eigen inzicht verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn.