ECLI:NL:PHR:2010:BN6787
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring rijden onder invloed van morfine en andere drugs
In deze zaak stond de vraag centraal of de bewezenverklaring van rijden onder invloed van morfine, codeïne en cocaïne voldoende gemotiveerd was, met name of verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat deze stoffen de rijvaardigheid konden verminderen. Het hof had verdachte veroordeeld op grond van artikel 8 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994, waarbij het bewijs bestond uit een proces-verbaal met waarnemingen van het rijgedrag en een deskundigenrapport met bloedconcentraties van de genoemde stoffen.
De Hoge Raad bevestigt dat het gebruik van morfine en andere genoemde stoffen de rijvaardigheid kan verminderen en dat dit een feit van algemene bekendheid is. Verdachte had niet aangevoerd hiervan niet op de hoogte te zijn. De Hoge Raad stelt dat het redelijkerwijs moeten weten van het verminderende effect onderdeel is van het competentieprofiel van een bestuurder en dat het hof dit terecht heeft aangenomen zonder dit expliciet te hoeven motiveren.
De conclusie is dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd en dat het middel van cassatie dat dit betwistte, faalt. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de eerdere veroordeling van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens rijden onder invloed van morfine en andere drugs met voldoende motivering dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat deze stoffen de rijvaardigheid konden verminderen.