ECLI:NL:PHR:2010:BN7892
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging machtiging voortgezet verblijf wegens schending hoorplicht Wet Bopz
In deze zaak ging het om een verzoek van de officier van justitie tot machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene was niet opgeroepen voor de mondelinge behandeling, omdat zij zich onttrok aan het toezicht en haar verblijfplaats onbekend was. De rechtbank verleende de machtiging zonder betrokkene te horen, met als motief dat zij zelf verantwoordelijk was voor het niet bereikbaar zijn en dat zij rechtsmiddelen had om het verblijf later aan te vechten.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank de hoorplicht van artikel 8 lid 1 Wet Pro Bopz had geschonden. De rechter moet vaststellen dat betrokkene niet bereid is te worden gehoord en dit expliciet motiveren. Onbekendheid met de verblijfplaats en het niet bereiken van betrokkene vormen geen voldoende grond om af te zien van een behoorlijke oproeping. De rechtbank had meer inventiviteit moeten tonen, zoals het doen van een openbare oproeping of het inschakelen van autoriteiten.
Ook het argument dat betrokkene zelf verantwoordelijk is voor het niet verschijnen, is onvoldoende zonder dat zij behoorlijk is opgeroepen. De mogelijkheid tot latere rechtsmiddelen vervangt niet de hoorplicht vooraf. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Groningen voor een nieuwe behandeling waarbij betrokkene adequaat wordt gehoord.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf wegens schending van de hoorplicht en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.