ECLI:NL:PHR:2010:BN9977
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid werkgever bij arbeidsongeval door verontreinigd drinkwater en onhygiënische werkomstandigheden op offshore platform
De zaak betreft een arbeidsongeval van een werknemer, [eiser], die tijdens werkzaamheden op offshore platforms in Gabon en Angola ziek werd door het drinken van verontreinigd water uit een onverzegelde fles en door onhygiënische omstandigheden op het platform. [Eiser] vorderde schadevergoeding van zijn werkgever Fugro op grond van artikel 7:658 BW Pro (zorgplicht werkgever) en artikel 7:611 BW Pro (goed werkgeverschap).
De rechtbank wees de vorderingen af wegens onvoldoende onderbouwd causaal verband en verjaring. Het hof vernietigde dit vonnis deels en wees de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag toe, maar wees de overige vorderingen af. Het hof oordeelde dat Fugro aan haar zorgplicht had voldaan, dat verzegelde flessen drinkwater beschikbaar waren, en dat [eiser] onvoldoende had gesteld over verminderde alertheid door slaaptekort en over overtreding van arbeids- en rusttijden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug. De Hoge Raad benadrukt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij zijn zorgplicht is nagekomen. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom Fugro voldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen, met name ten aanzien van het beschikbaar stellen van veilig drinkwater en het toezicht daarop. Tevens is onvoldoende onderzocht of de arbeids- en rusttijdenregelgeving ter plaatse werd nageleefd en of vermoeidheid van [eiser] een rol speelde.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de vordering op grond van artikel 7:611 BW Pro niet slaagt omdat de omschrijving van ongeval in de polis geen dekking biedt voor de door [eiser] gestelde ziekte en dat Fugro niet verplicht was een aanvullende verzekering af te sluiten. De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de problematiek rond aansprakelijkheid en verzekeringsplicht van werkgevers bij arbeidsongevallen in het buitenland en benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige afweging en duidelijke grenzen in de rechtspraak.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.