ECLI:NL:PHR:2010:BO0198
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beklag tegen niet-vervolging ministers en Kamerleden wegens genocide
Klager deed aangifte tegen de minister-president en twintig andere (voormalige) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens genocide en aanverwante misdrijven in verband met militaire acties in Irak. De officier van justitie gaf aan dat vervolging alleen kan plaatsvinden bij last van de Kroon of Tweede Kamer. Klager deed daarop beklag bij het hof, dat zich onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat de bijzondere regels voor vervolging en berechting van ambtsdragers, zoals neergelegd in art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro, vereisen dat een last tot vervolging door de Kroon of Tweede Kamer wordt gegeven. Zonder die last is de Hoge Raad onbevoegd om tot vervolging te bevelen. Klager heeft geen rechtstreeks belang en kan niet als 'victim' worden aangemerkt. Ook het Genocideverdrag verplicht niet tot vervolging zonder nationale regeling.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de toepasselijkheid van art. 44 Sr Pro als strafverzwarende omstandigheid bij ambtsmisdrijven en bevestigt dat ministers en Kamerleden wel vervolgd kunnen worden, mits de juiste vervolgingslast is gegeven. Het beklag wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag wegens het ontbreken van een last tot vervolging door de Kroon of Tweede Kamer.