ECLI:NL:PHR:2010:BO1652
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bindendheid van langdurig niet-uitgevoerde overeenkomst tot scheiding en deling van gemeenschappelijke goederen
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en sloten na echtscheiding een vaststellingsovereenkomst over de verdeling van de gemeenschap, inclusief toedeling van de woning aan de vrouw en pensioenrechten. Deze overeenkomst werd echter lange tijd niet uitgevoerd; de vrouw bleef in de woning wonen zonder dat de man zijn aandeel leverde, terwijl hij de eigenaarslasten betaalde.
De man vorderde later nakoming van de overeenkomst of betaling van vergoeding wegens gebruik van de woning, stellende dat de overeenkomst stilzwijgend was ontbonden of dat de vrouw afstand had gedaan van haar rechten. De rechtbank en het hof verwierpen deze stellingen en oordeelden dat geen sprake was van stilzwijgende ontbinding of afstand van recht, mede omdat geen ondubbelzinnige wilsverklaring was gegeven.
De Hoge Raad bevestigt dat een vaststellingsovereenkomst niet stilzwijgend wordt ontbonden zonder duidelijke wilsverklaring en dat gedragingen van partijen anders kunnen worden uitgelegd. Ook is de vordering van de vrouw niet verjaard omdat de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk was van een opschortende voorwaarde, namelijk het verstrekken van pensioenopgaven door de man. De gevorderde gebruiksvergoeding werd afgewezen omdat de vertraging in nakoming aan de man zelf te wijten was.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de man en bevestigt de eerdere uitspraken dat de vrouw gebonden blijft aan de overeenkomst en dat de man zijn verplichtingen moet nakomen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vrouw gebonden blijft aan de overeenkomst en dat de man zijn verplichtingen moet nakomen, waarbij het cassatieberoep van de man wordt verworpen.