ECLI:NL:PHR:2011:BN0900
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering grensoverschrijdende fiscale eenheid wegens niet-onderworpenheid dochtervennootschap
Deze zaak betreft de weigering van de Inspecteur om een fiscale eenheid toe te staan tussen een Nederlandse moedervennootschap en haar in België gevestigde 100%-dochter. De belanghebbende stelde dat deze weigering in strijd was met de EU-vestigingsvrijheid. De Hoge Raad legde de prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU), dat oordeelde dat het EU-recht niet vereist dat lidstaten een fiscale eenheid toestaan met niet-onderworpen dochters.
De Hoge Raad analyseert het arrest van het HvJ EU en constateert dat het Hof onderworpen dochters en niet-onderworpen dochters niet als vergelijkbaar beschouwt. De beperking van de fiscale eenheid tot onderworpen vennootschappen is gerechtvaardigd door de noodzaak tot behoud van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen lidstaten. De Hoge Raad benadrukt dat het fiscale-eenheidsregime een consolidatie van objectieve belastingplicht inhoudt, die niet kan worden toegepast op niet-onderworpen dochters.
Verder bespreekt de Hoge Raad de mogelijkheid van een per-aspect-benadering waarbij nadelige effecten van het ontbreken van een grensoverschrijdende fiscale eenheid afzonderlijk aan de orde kunnen komen. De Hoge Raad concludeert dat het fiscale-eenheidsregime als een alles-of-niets pakket moet worden gezien, waarbij cherry picking niet mogelijk is. Ook wordt ingegaan op literatuur en eerdere jurisprudentie, waarbij wordt bevestigd dat de weigering van grensoverschrijdende fiscale eenheid niet in strijd is met het EU-recht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de weigering van een grensoverschrijdende fiscale eenheid met een niet-onderworpen dochter niet in strijd is met het EU-recht.