ECLI:NL:PHR:2011:BN6299
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Navordering loonbelasting en waardering vordering bij afstand optierechten
Belanghebbende, directeur van een B.V., kreeg een navorderingsaanslag opgelegd wegens niet aangegeven rente en onjuiste waardering van een vordering uit afstand van optierechten. De Inspecteur legde tevens een boete op wegens grove schuld. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.
De kern van het geschil betrof of sprake was van een ambtelijk verzuim dat navordering in de weg stond, de juiste waardering van de vordering per 1 januari 2001, of de verhaalschuld van nageheven loonbelasting een van aftrek in box 3 uitgesloten belastingschuld is, en de rechtmatigheid van de boete. Het Hof oordeelde dat geen ambtelijk verzuim was, de vordering op 100% van nominale waarde moest worden gewaardeerd, de verhaalschuld niet aftrekbaar is in box 3, en de boete terecht was opgelegd.
De Hoge Raad bevestigde deze oordelen en verwierp de cassatiemiddelen van belanghebbende. Het Hof had terecht geoordeeld dat de Inspecteur mocht vertrouwen op de aangifte, dat de waardering van de vordering feitelijk juist was, en dat de verhaalschuld voortvloeit uit een belastingwet en daarom niet aftrekbaar is. Ook was de boete terecht opgelegd wegens grove schuld. De beroepen in cassatie werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart beroepen ongegrond en bevestigt navorderingsaanslag, waardering vordering en boete.