ECLI:NL:PHR:2011:BO5093
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing Verordening 1408/71 op zeevarende werknemer onder Nederlandse werkgever met niet-EU vlag
Belanghebbende, een Nederlandse werknemer woonachtig in Spanje, werkte als scheepwerktuigkundige op zeeschepen onder Nederlandse Antilliaanse vlag voor een in Nederland gevestigde werkgever. De Inspecteur legde hem premies volksverzekeringen op, welke hij betwistte. De Rechtbank wees het beroep af, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de aanslag, stellende dat belanghebbende niet verplicht verzekerd was in Nederland.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende onder de personele werkingssfeer van Verordening 1408/71 viel en of de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing was, ondanks dat het schip voer onder een derde-land vlag en belanghebbende in Spanje woonde. Het Hof oordeelde dat de Verordening niet van toepassing was omdat er geen wetsconflict bestond en belanghebbende niet was aangesloten bij het Nederlandse stelsel.
De Minister stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte de Verordening niet toepaste, met name in situaties van negatief wetsconflict waarbij geen enkele sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. De Procureur-Generaal concludeerde tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de reikwijdte van de Verordening en het beleid van de uitvoeringsinstanties.
De Hoge Raad nam het cassatieberoep van de Minister terug en stelde prejudiciële vragen, waarmee het geschil werd aangehouden tot uitspraak van het Hof van Justitie. De zaak betreft de toepassing van Europese regelgeving op grensoverschrijdende sociale zekerheidskwesties voor zeevarenden op schepen met niet-EU vlaggen.
Uitkomst: Het cassatieberoep is ingetrokken en prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie, waardoor de zaak is aangehouden.