ECLI:NL:PHR:2011:BO5831
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over opzetheling van door misdrijf verkregen identiteitskaarten en bankpassen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte is veroordeeld voor opzetheling van identiteitskaarten, bankpassen, creditcards en een telefoonkaart die in een kluis in zijn woning werden aangetroffen. De goederen bleken van diefstal afkomstig te zijn, hoewel verdachte verklaarde deze zes maanden eerder in een trein te hebben gevonden.
Het hof achtte het niet aannemelijk dat verdachte de goederen had gevonden en oordeelde dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het verweer af dat sprake zou zijn van verduistering, omdat het hof niet aannemelijk achtte dat verdachte de goederen zelf door een misdrijf had verkregen.
Daarnaast constateert de Hoge Raad een kennelijke misslag in de bewezenverklaring met betrekking tot de creditcards en telefoonkaart, die niet door misdrijf verkregen konden worden aangetoond. Deze misslag wordt echter verbeterd zonder dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde worden aangetast, zodat cassatie niet leidt tot vernietiging.
Ten slotte wijst de Hoge Raad op de overschrijding van de redelijke termijn en acht strafvermindering op zijn plaats. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor opzetheling en past strafvermindering toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.