ECLI:NL:PHR:2011:BO8467
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fiscale kwalificatie van zeewaardig jacht als eigen woning voor renteaftrek
De zaak betreft de fiscale behandeling van een zeewaardig motorjacht dat door de erflater en zijn echtgenote als hoofdverblijf werd gebruikt. De vraag was of het jacht duurzaam aan een plaats gebonden was, zodat het als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 kon worden aangemerkt en de financieringskosten aftrekbaar waren.
De Rechtbank oordeelde dat het jacht niet duurzaam aan een plaats gebonden was, mede vanwege het ontbreken van een ontheffing voor langdurig verblijf in de haven, het feit dat het schip meerdere malen werd verplaatst voor pleziervaart en de intentie tot verkoop. Het Hof kwam echter tot het oordeel dat het schip gedurende bijna drie jaar vrijwel onafgebroken op dezelfde ligplaats lag en slechts incidenteel werd verplaatst, waardoor het duurzaam aan een plaats gebonden was.
De Minister van Financiën stelde cassatie in en voerde aan dat het schip geen vaste aansluitingen had op nutsvoorzieningen, gemakkelijk verplaatsbaar was en dat de ligplaats slechts werd gedoogd. De Hoge Raad overwoog dat voor de eigenwoningregeling het begrip 'duurzaam aan een plaats gebonden' nadere precisering behoeft en dat het feit dat het schip niet was gelegen op een plaats die was bedoeld voor een duurzame binding met de wal, waaronder het ontbreken van vaste water- en rioolaansluitingen, doorslaggevend is.
De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het arrest van het Hof, waarmee het schip niet als eigen woning kan worden aangemerkt voor de toepassing van de renteaftrek in de Wet IB 2001.
Uitkomst: Het motorjacht is niet duurzaam aan een plaats gebonden en kan daarom niet als eigen woning worden aangemerkt voor renteaftrek.