ECLI:NL:PHR:2011:BO9630
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de ministeriële weigering tot overdracht van tenuitvoerlegging gevangenisstraf aan België
De zaak betreft het verzoek van een Belgische gedetineerde, veroordeeld in Nederland tot een gevangenisstraf van zestien jaar wegens ernstige geweldsdelicten, om zijn straf in België te mogen uitzitten. De minister van Justitie weigerde dit verzoek met het argument dat de Belgische regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling gunstiger is dan de Nederlandse, waardoor de straf in België mogelijk korter zou zijn dan door de Nederlandse rechter passend werd geacht.
De gedetineerde stelde dat deze weigering onrechtmatig was en dat de rechter een volledige toetsing van de beslissing moest uitvoeren, mede op grond van art. 6 EVRM Pro. Zowel de rechtbank als het hof bevestigden dat de minister een ruime beleidsvrijheid heeft en dat de burgerlijke rechter slechts een marginale toetsing mag toepassen, namelijk of de minister in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
Het hof verwierp ook de stelling dat de minister willekeurig handelde en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden. Ook humanitaire gronden en een vermeende schending van art. 3 EVRM Pro werden door het hof niet voldoende geacht om de beslissing te wijzigen. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en wijst het cassatieberoep af.
De uitspraak benadrukt dat het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Vogp) en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) de minister een discretionaire bevoegdheid geven en dat er geen afdwingbaar recht bestaat voor gedetineerden om overdracht te verkrijgen. De burgerlijke rechter fungeert als restrechter en toetst slechts marginaal, mede gelet op de aard van de beslissing en internationale verdragsrechtelijke overwegingen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ruime beleidsvrijheid van de minister en wijst het cassatieberoep af.