ECLI:NL:PHR:2011:BO9817

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00577
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens onvoldoende motivering verwerping noodweerberoep

De verdachte is door het hof veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling en stelde cassatie in tegen de verwerping van haar beroep op noodweer en noodweerexces. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het toegepaste geweld niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding, mede doordat het onduidelijk liet waaruit de aanranding precies bestond.

De verdediging stelde dat de verdachte zich verdedigde tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door twee personen die haar hadden geslagen en getrapt, waarna zij zich tegen een muur had teruggetrokken en een glas in haar richting werd gegooid. Het hof liet echter na deze feiten duidelijk vast te stellen en motiveerde onvoldoende waarom het geweld van de verdachte buiten proportie was.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het beroep op noodweer en noodweerexces niet afdoende is beoordeeld. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling op basis van een volledige motivering.

Daarnaast merkt de Hoge Raad op dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, maar dat dit gezien de opgelegde taakstraf geen verdere gevolgen heeft. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het beroep op noodweer.

Conclusie

Nr. 09/00577
Mr. Vellinga
Zitting: 14 december 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer, in het bijzonder voor zover wordt overwogen dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, ontoereikend is.
4. Het bestreden arrest houdt te dien aanzien in:
"Strafbaarheid van de verdachte
Ter terechtzitting is van de zijde van de verdachte primair aangevoerd dat terzake van het tenlastegelegde sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging door de verdachte van haar lijf tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer en haar vriendin, die de verdachte als eerste zouden hebben geslagen. Subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat sprake was van noodweer-exces, nu de verdachte nooit eerder met geweld geconfronteerd was geweest en door het hele gebeuren hevig was geëmotioneerd, waaronder bang voor en boos op het slachtoffer en haar vriendin. Hierdoor ontstond bij de verdachte een zodanige gemoedsbeweging dat zij te ver is doorgeschoten in de noodzakelijke verdediging van haar eigen lijf.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Zo er al sprake is geweest van een noodweersituatie als in de wet bedoelde zin, gelet op de tegenstrijdige verklaringen van de verdachte en haar vriendin [betrokkene 2] over de confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] enerzijds en het slachtoffer en haar vriendin [betrokkene 1] anderzijds, is het hof terzake van het door de verdachte toegepaste geweld, te weten het slaan met het glas in het gezicht van voornoemde slachtoffer [slachtoffer], van oordeel dat de verdachte daarin te ver is gegaan en dat zij daarmee de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, waardoor niet is voldaan aan de eis van proportionaliteit. Het hof verwerpt derhalve het beroep op noodweer.
Hetzelfde lot treft het subsidiair aangevoerde verweer dat sprake is geweest van noodweerexces, aangezien een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, en van waaruit de handelwijze van verdachte verklaard zou kunnen worden, niet voldoende aannemelijk is geworden. Het verweer wordt mitsdien verworpen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is."
5. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de in art. 41 lid 1 Sr Pro vervatte proportionaliteitseis ertoe strekt om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (o.a. HR 8 september 2009, LJN BI3895, rov. 2.5.2).
6. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof bij de verwerping van het beroep op noodweer een te strenge maatstaf aangelegd, althans zijn oordeel in het licht van hetgeen door de verdediging is gesteld, onvoldoende gemotiveerd.
7. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat het Hof de juistheid van de namens de verdachte ter onderbouwing van het beroep op noodweer(exces) ten grondslag gelegde feiten in het midden heeft gelaten. Daarover houdt de pleitnota in:
"12. Cliënte heeft keer op keer herhaald dat zij tegen het muurtje in elkaar gezakt stond, dit na het trappen en slaan van [slachtoffer] en [betrokkene 1]. Zij zag toen dat er een glas haar richting op kwam, welk glas zij in een reflex heeft weggeslagen (p. 62 en 68). Ook [betrokkene 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat er een glas gegooid is, dat uiteindelijk is gevallen en waardoor het incident tot een einde kwam.
en
21. Aangenomen mag worden dat het door de beide meisjes zich opdringen aan cliënte, schelden, gevolgd door slaan en schoppen als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van cliënte heeft te gelden. De stelling dat het [slachtoffer] en [betrokkene 1] zijn geweest die zijn begonnen wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 2], zodat daarmee voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze omstandigheden zich voor hebben gedaan.
22. Nu cliënte letterlijk met haar rug tegen de muur stond tegenover twee agressieve meiden die al behoorlijk geweld hadden gebruikt, heeft zij gepast gereageerd. Niemand kwam haar te hulp, [betrokkene 2] verklaart te zijn weggetrokken. Cliënte stond er dus op dat moment alleen voor."
8. Wil kunnen worden beoordeeld of de wijze van verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding in redelijke verhouding staat tot de ernst van die aanranding, dan dient te worden vastgesteld waarin die aanranding heeft bestaan. Door in het midden te laten waarin die aanranding heeft bestaan, heeft het Hof zijn oordeel dat de verdediging niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding dus onvoldoende gemotiveerd.
9. Moet ervan worden uitgegaan dat de namens verdachte aan het beroep op noodweer(exces) ten grondslag gelegde feiten juist zijn dan vergt het nadere motivering waarom de bewezenverklaarde gedraging niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding. Deze hield immers in dat de verdachte door twee personen zo was geslagen en getrapt, dat zij in elkaar gezakt tegen een muurtje stond en dat een glas in haar richting kwam(1), terwijl het Hof in het midden heeft gelaten of het glas dat in verdachtes richting kwam - zoals in het verweer besloten lag - deel uitmaakte van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich verdedigde, of dat dat niet het geval was.
10. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt ingebracht tegen het vonnis van de Politierechter kan buiten beschouwing blijven omdat dat vonnis geen voorwerp is van het beroep in cassatie.
11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 4 februari 2009 beroep in cassatie ingesteld. Indien de Hoge Raad later dan 4 februari 2011 uitspraak zal doen brengt dat mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu aan de verdachte evenwel een taakstraf is opgelegd waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder dan honderd uren beloopt, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen of verwezen.(2)
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 8 september 2009, LJN BI3895, NJ 2010, 391 m. nt. Y. Buruma, rov 2.6 en HR 12 januari 2010, LJN BK4155, rov. 2.5.
2 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.