ECLI:NL:PHR:2011:BO9948
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing getuigenverzoeken en strafoplegging bij exequatur buitenlandse straf
In deze zaak betreft het de tenuitvoerlegging van een buitenlandse gevangenisstraf opgelegd door het United States District Court te Vermont aan een veroordeelde voor betrokkenheid bij een grootschalige MDMA-smokkeloperatie. De rechtbank heeft op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) het verzoek van de veroordeelde om getuigen op te roepen afgewezen, omdat deze verzoeken vooral gericht waren op het betwisten van feiten die reeds door de buitenlandse rechter waren vastgesteld.
De verdediging voerde onder meer aan dat de plea agreement onder druk tot stand was gekomen en dat de detentieomstandigheden in de Verenigde Staten abominabel waren, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat de veroordeelde vrijelijk tot de plea agreement heeft besloten en dat de detentieomstandigheden geen grond voor strafvermindering vormen.
De Hoge Raad bevestigt dat de exequaturrechter gebonden is aan de feitenvaststelling van de buitenlandse rechter en dat het horen van getuigen in de exequaturprocedure slechts zeer beperkt is toegestaan, voornamelijk voor het verkrijgen van informatie over de persoonlijkheid van de veroordeelde. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank terecht de strafoplegging baseerde op zowel het buitenlandse vonnis als aanvullende informatie uit het strafdossier, en dat de verzoeken tot het horen van getuigen terecht zijn afgewezen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tenuitvoerlegging van de buitenlandse gevangenisstraf wordt bevestigd.