ECLI:NL:PHR:2011:BP0006
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid kantoorbetekening voor verstekverlening onder Haags Betekeningsverdrag en Betekeningsverordening II
In deze zaak stond de vraag centraal of kantoorbetekening, zoals geregeld in art. 63 Rv Pro, voldoende is voor verstekverlening tegen een partij met woonplaats in het buitenland, in het bijzonder onder het Haags Betekeningsverdrag en de Betekeningsverordening II.
De Hoge Raad stelde vast dat kantoorbetekening aan de advocaat of deurwaarder van de wederpartij in de vorige instantie, ook wanneer deze in een andere verdragsstaat woont, volstaat voor verstekverlening. Dit betekent een terugkeer van het eerdere standpunt uit HR 27 juni 1986, waarin kantoorbetekening niet als voldoende werd beschouwd onder het Haags Betekeningsverdrag.
De conclusie benadrukt dat het Haags Betekeningsverdrag zelf niet uitsluit dat kantoorbetekening buiten het toepassingsgebied valt, omdat de vraag wanneer een stuk ter betekening naar het buitenland moet worden gezonden aan het interne recht van de verdragsstaat wordt overgelaten. Ook wordt gewezen op de samenloop met de Betekeningsverordening II, waarbij kantoorbetekening wordt gezien als een toegestane wijze van betekening die het verdrag verdringt.
De Hoge Raad beveelt daarom aan om de positie van kantoorbetekening onder het Haags Betekeningsverdrag te heroverwegen en aan te nemen dat kantoorbetekening volstaat om verstek te verlenen, ongeacht of de wederpartij woonachtig is in een lidstaat van de EU of een verdragsstaat. Dit voorkomt samenloopcomplicaties en waarborgt dat het exploot tijdig de juiste partij bereikt.
De conclusie leidt tot de slotsom dat de betekening van de cassatiedagvaarding aan het kantoor van de advocaat van de wederpartij voldoende is voor verstekverlening tegen die partij.
Uitkomst: De betekening van de cassatiedagvaarding aan het kantoor van de advocaat volstaat voor verstekverlening tegen de niet-verschenen partij.