ECLI:NL:PHR:2011:BP0199
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid pseudo-dienstverlening bij levering legale stoffen in voorbereidingshandel heroïne
In deze zaak stond de vraag centraal of de levering van paracetamol en cafeïne door een bedrijf aan een verdachte, onder medeweten van het Openbaar Ministerie (OM), kon worden aangemerkt als onrechtmatige pseudo-verkoop. De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens medeplegen van voorbereiden en bevorderen van heroïnehandel, waarbij deze stoffen als versnijdingsmiddelen werden gebruikt.
De Hoge Raad overwoog dat pseudo-verkoop, als opsporingsmethode gericht op de verkoop van illegale goederen, niet in de wet is geregeld en slechts onder strikte voorwaarden als infiltratie is toegestaan. In deze zaak betrof het echter de levering van legale stoffen die in het gewone handelsverkeer vrij verhandelbaar zijn. De overeenkomst tussen het OM en het bedrijf viel onder de wettelijke regeling van pseudo-dienstverlening (art. 126ij Sv). De Hoge Raad bevestigde dat er geen disproportionele inbreuk op grondrechten was en dat het Tallon-criterium niet was geschonden, omdat de verdachte reeds voorafgaand aan de levering het opzet had tot aankoop.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de kwalificatie van meerdaadse samenloop door het hof terecht was, hoewel het hof nagelaten had dit expliciet te vermelden. De opgelegde straf van vier jaar gevangenisstraf bleef binnen de wettelijke maxima. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling definitief bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen voorbereiden heroïnehandel en oordeelt dat de pseudo-dienstverlening rechtmatig was.