ECLI:NL:PHR:2011:BP0255
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof een bedrag van €14.923,- had vastgesteld. Het geschil betrof met name de schatting en verdeling van het voordeel in twee specifieke zaken (zaak 15 en 22), waarin valse biljetten werden gestort en opgenomen. Het hof had aangenomen dat een medeverdachte voor zijn bemoeienissen €200,- had ontvangen, maar deze schatting was niet voldoende onderbouwd met bewijsmiddelen.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad stelde dat het hof onvoldoende motivering gaf voor de toegewezen bedragen en dat de schatting niet begrijpelijk was. Tevens werd gewezen op het feit dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, wat bij de hernieuwde beoordeling in acht genomen moet worden.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, of naar een aangrenzend hof, om opnieuw recht te doen op basis van het bestaande hoger beroep. De zaak betreft een belangrijke toetsing van de motiveringsvereisten bij de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel in strafzaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.