ECLI:NL:HR:2006:AY7386
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en toerekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij meerdere daders
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene samen met mededaders geldbedragen had verkregen ten nadele van een bank. De betrokkene voerde aan dat de rekening waarop het geld was gestort was geblokkeerd voordat opname mogelijk was, en dat hij slechts een tussenpersoon was die een deel van het bedrag had ontvangen.
Het hof stelde vast dat het voordeel in totaal € 932.845,52 bedroeg en dat de betrokkene op basis van het onderzoek en de omstandigheden € 310.948,50 aan voordeel had behaald. Het hof wees het verweer af dat de blokkering van de rekening het voordeel zou verminderen, omdat het voordeel reeds op het moment van bijschrijving was verkregen.
De Hoge Raad bevestigde dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van het daadwerkelijk behaalde voordeel op het moment van bijschrijving, ongeacht latere blokkeringen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht het voordeel pondspondsgewijs aan de betrokkene en mededaders had toegerekend, omdat onvoldoende aanknopingspunten bestonden voor een andere verdeling.
Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef en de betrokkene gehouden bleef tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de Staat.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot betaling van € 310.948,50 ontnemingsvordering aan de Staat.