ECLI:NL:PHR:2011:BP0299
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermindering ontnemingsbedrag wegens vordering benadeelde partij
In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de veroordeelde veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €3.570,-. De veroordeelde stelde cassatie in tegen deze beslissing met het middel dat het hof niet had voldaan aan artikel 36e, zesde lid, Sr door de vorderingen van benadeelde partijen niet in mindering te brengen op het ontnemingsbedrag.
Het hof had de vordering van benadeelde partij 2 niet in mindering gebracht omdat deze betrekking had op een ander feit dan het ontnemingsfeit, waardoor dubbele terugbetaling werd voorkomen. Echter, de vordering van benadeelde partij 1 had wel betrekking op hetzelfde feit als de ontneming, maar was niet in mindering gebracht.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit verzuim kan herstellen door alsnog de vordering van €125,- van benadeelde partij 1 in mindering te brengen op het ontnemingsbedrag. Hierdoor wordt het te betalen bedrag verminderd tot €3.445,-. De rest van het cassatieberoep wordt verworpen.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 36e, zesde lid, Sr bij de vaststelling van het bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij rekening gehouden kan worden met vorderingen van benadeelde derden indien deze betrekking hebben op hetzelfde feit.
Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt verminderd tot €3.445,- door in mindering brengen van de vordering van een benadeelde partij.