ECLI:NL:HR:2011:BP0299
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel en rekening houden met vorderingen derden
In deze zaak stond de vraag centraal of de strafrechter bij de bepaling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel verplicht is om de vorderingen van benadeelde derden in mindering te brengen, ook als deze vorderingen nog niet onherroepelijk zijn vastgesteld. De veroordeelde was door het hof veroordeeld voor medeplegen van oplichting en tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof had de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en deze bedragen meegenomen in de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde stelde in cassatie dat het hof ten onrechte deze vorderingen niet in mindering had gebracht bij de bepaling van het ontnemingsbedrag.
De Hoge Raad oordeelde dat de strafrechter bevoegd is om rekening te houden met de aanspraken van derden en de omvang daarvan zoveel mogelijk te bepalen, ook als deze nog niet onherroepelijk zijn vastgesteld, maar dat er geen verplichting tot bestaat. Indien de vordering van de benadeelde partij onherroepelijk wordt, kan via een procedure op grond van art. 577b Sv het bedrag worden aangepast.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. De Hoge Raad bevestigde hiermee de discretionaire bevoegdheid van de strafrechter bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de mogelijkheid tot verrekening van vorderingen van derden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de strafrechter is bevoegd maar niet verplicht om vorderingen van derden mee te wegen bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.