ECLI:NL:PHR:2011:BP2239
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek buitengewone uitgaven vervoerskosten invaliditeit jaren 2002 en 2003
Belanghebbende, werkzaam bij de Provincie Noord-Holland en invalide, bracht voor de jaren 2002 en 2003 vervoerskosten wegens invaliditeit als buitengewone uitgaven in aftrek. De Inspecteur weigerde deze aftrek, stellende dat de kosten niet hoger waren dan het normale bestedingspatroon van vergelijkbare personen. Zowel de Rechtbank Haarlem als het Gerechtshof Amsterdam verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond.
De Hoge Raad bevestigt deze uitspraken en benadrukt dat de bewijslast voor het aantonen van objectieve meerkosten bij de belastingplichtige ligt. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar autokosten de gebruikelijke vervoerskosten van gezonde personen met een vergelijkbare inkomens- en gezinssituatie overschrijden. CBS-gegevens werden als redelijke maatstaf gehanteerd.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de wettelijke bepalingen en jurisprudentie omtrent buitengewone lasten, het gebruikelijkheidscriterium en de bewijslastverdeling. Ook wordt ingegaan op de moeilijkheden voor belastingplichtigen om exacte meerkosten aan te tonen en de redelijkheid van de bewijslastverdeling. De conclusie is dat de bewijslastverdeling rechtvaardig is en dat de aftrek terecht is geweigerd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de vervoerskosten wegens invaliditeit niet hoger zijn dan het normale bestedingspatroon van vergelijkbare gezonde personen.