ECLI:NL:PHR:2011:BP3048
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg van de exclusieve werking van de EG-Bewijsverordening bij bewijsverkrijging in andere lidstaat
In deze zaak staat de uitleg van Verordening (EG) nr. 1206/2001 (de Bewijsverordening) centraal, met name de vraag of deze verordening dwingende of exclusieve werking heeft bij het horen van getuigen die in een andere lidstaat wonen.
De procedure betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een verzoek om een rogatoire commissie in te stellen voor het voorlopig getuigenverhoor van in het buitenland wonende getuigen. Verzoekers stelden dat de Nederlandse rechter verplicht is de bewijsverkrijging via de methoden van de Bewijsverordening te laten verlopen, terwijl de rechtbank en het hof oordeelden dat de rechter discretionair bevoegd is en ook nationale procesrechtelijke mogelijkheden kan toepassen.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de doelstellingen en toepassingsbereik van de Bewijsverordening, de verhouding tot het nationale recht en het eerdere Bewijsverdrag. De conclusie is dat de vraag naar de exclusieve werking van de verordening niet eenduidig is en dat het Hof van Justitie van de EU hierover prejudiciële uitleg moet geven.
De Hoge Raad besluit het geding te schorsen en een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie om duidelijkheid te verkrijgen over de uitleg van de Bewijsverordening, alvorens verder te beslissen over het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU over de uitleg van de Bewijsverordening en schorst de procedure.