ECLI:NL:PHR:2011:BP4445
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlenging proeftijd voorwaardelijke gevangenisstraf niet mogelijk na afloop proeftijd
De verdachte was door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar, met een bijzondere voorwaarde van een straat- en contactverbod. Het Hof had vervolgens de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf verlengd met één jaar.
De verdediging stelde cassatie in met het middel dat de proeftijd ten onrechte was verlengd, omdat deze al was verstreken. Uit de processtukken bleek dat de proeftijd was begonnen op 2 juli 2004 en geëindigd op 2 juli 2006, terwijl de beslissing tot verlenging pas op 29 oktober 2008 werd genomen.
De Hoge Raad stelt vast dat een verlenging van de proeftijd slechts tijdens de proeftijd zelf kan plaatsvinden, conform art. 14f, eerste lid, Sr. Omdat de proeftijd ten tijde van de uitspraak al was verstreken, is de verlenging onrechtmatig. Daarnaast is de redelijke termijn voor de cassatieprocedure overschreden, maar gezien de aard van de straf (volledig voorwaardelijk) wordt dit niet verder gesanctioneerd.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging betreft en verwijst de zaak terug voor nieuwe berechting en beslissing in dat onderdeel.
Uitkomst: De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt afgewezen omdat de proeftijd reeds was verstreken.