ECLI:NL:PHR:2011:BP5615
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging kinderalimentatie op grond van gewijzigde draagkracht na detentie en verblijf in het buitenland
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben twee kinderen die bij de moeder wonen. De man was gedetineerd van eind november 2000 tot eind november 2001 en had in die periode geen arbeidsinkomen. Hij verzocht om wijziging van de kinderalimentatie, stellende dat de oorspronkelijke beschikking niet aan de wettelijke maatstaven voldeed.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde de kinderalimentatie vast op lagere bedragen voor verschillende perioden, waarbij het voor de periode van 3 april 2001 tot 10 september 2007 de bijdrage vaststelde op hetgeen feitelijk was betaald. De vrouw stelde dat de man over criminele inkomsten beschikte, maar kon dit niet onderbouwen voor de detentieperiode.
De Hoge Raad oordeelde dat de feitenrechter voldoende vrijheid heeft om de draagkracht vast te stellen en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de man tijdens detentie geen draagkracht had. Ook werd bevestigd dat de rechterlijke beslissing voldoende gemotiveerd moet zijn om controleerbaar te zijn. Het cassatieberoep werd verworpen omdat er geen fundamentele rechtsvragen speelden.
De uitspraak benadrukt dat bij wijziging van kinderalimentatie op grond van art. 1:401 lid 4 BW Pro de feitenrechter een zelfstandige en ruime beoordelingsvrijheid heeft, en dat het ontbreken van arbeidsinkomen tijdens detentie een geldige grond kan zijn om draagkracht te ontkennen.
De zaak illustreert het belang van een gedegen financiële onderbouwing bij alimentatiegeschillen en bevestigt de rechtszekerheid omtrent de motiveringsplicht van de rechter in dergelijke zaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.