ECLI:NL:PHR:2011:BP7980
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van kwijtscheldingswinstvrijstelling bij kwijtschelding onder opschortende voorwaarde
Belanghebbende exploiteerde tot 1993 een autobedrijf en tankstation en sloot met D B.V. een overeenkomst waarbij een deel van een regresvordering onder opschortende voorwaarde werd kwijtgescholden. De kwijtschelding trad pas in 2003 in werking nadat belanghebbende tien jaar lang aflossingen had gedaan. In de aangifte inkomstenbelasting 2003 deed belanghebbende een beroep op de kwijtscheldingswinstvrijstelling voor het bedrag van de kwijtschelding, maar de Inspecteur verleende deze vrijstelling niet.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat het voordeel uit de kwijtschelding terecht in 2003 werd genomen, maar dat de toets of sprake was van niet voor verwezenlijking vatbare rechten moest plaatsvinden op het moment van de kwijtscheldingsovereenkomst in 1993. De Minister stelde in cassatie dat de toetsing pas in 2003 moest plaatsvinden, omdat pas dan definitief afstand werd gedaan van de vordering.
De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de crediteur zijn rechten prijsgeeft op het moment van het sluiten van de kwijtscheldingsovereenkomst, ook als deze onder een opschortende voorwaarde is gesloten. De toets of de rechten niet voor verwezenlijking vatbaar zijn, vindt daarom plaats op het moment van de overeenkomst en niet bij de latere vervulling van de voorwaarde. Hiermee wordt voorkomen dat het voordeel uit de kwijtschelding later onterecht buiten de winst wordt gehouden. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en bevestigd dat de toetsing van niet voor verwezenlijking vatbare rechten plaatsvindt bij het sluiten van de kwijtscheldingsovereenkomst.