ECLI:NL:PHR:2011:BP8053
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding griffierecht en proceskosten bij ambtshalve overschrijding redelijke termijn in belastingboeteprocedure
In deze zaak draait het om de vraag of bij ambtshalve vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn in een belastingboeteprocedure het hoger beroep gegrond verklaard moet worden en of griffierecht en proceskosten vergoed dienen te worden. De belanghebbende, een BV, kreeg een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd met een vergrijpboete. Zowel de Rechtbank als het Hof stelden het beroep van de belanghebbende op de inhoudelijke punten in het ongelijk, maar het Hof matigde de boete ambtshalve wegens overschrijding van de redelijke termijn en verklaarde het hoger beroep gegrond, met vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in en betoogde dat het hoger beroep ongegrond verklaard had moeten worden omdat de vermindering van de boete niet het gevolg was van het beroep van de belanghebbende, maar van ambtshalve constatering van termijnoverschrijding. Volgens hem moest dan ook geen vergoeding van griffierecht en proceskosten volgen. De conclusie van de Procureur-Generaal ondersteunt dit standpunt en adviseert het cassatieberoep gegrond te verklaren.
De Hoge Raad overweegt dat vernietiging van eerdere uitspraken niet nodig is om een effectieve remedie te bieden voor de schending van het recht op een redelijke termijn (art. 6 EVRM Pro). De boete kan rechtstreeks worden verminderd op grond van art. 13 EVRM Pro zonder dat het beroep gegrond hoeft te worden verklaard of eerdere uitspraken vernietigd. Vergoeding van griffierecht en proceskosten blijft een discretionaire bevoegdheid van de rechter en wordt slechts toegekend bij bijzondere omstandigheden.
De Hoge Raad concludeert dat het Hof het hoger beroep ongegrond had moeten verklaren, de boete had moeten verminderen zonder vernietiging, en een gemotiveerde beslissing had moeten nemen over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tevens wordt overwogen dat ambtshalve toekenning van immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in belastingzaken niet aan de orde is zolang de belanghebbende dit niet heeft gesteld of verzocht.
Deze uitspraak brengt duidelijkheid over de procedurele behandeling van ambtshalve termijnoverschrijding in belastingboetezaken en de voorwaarden voor vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de boete wordt verminderd via een rechterlijke beschikking zonder vernietiging, en vergoeding van griffierecht en proceskosten wordt slechts toegekend bij bijzondere omstandigheden.