ECLI:NL:PHR:2011:BP8690
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding en nieuwe relatie met draagkrachtberekening
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de vaststelling van kinderalimentatie voor hun zoon, geboren in 1997. Na de echtscheiding in 2002, waarbij geen alimentatie werd vastgesteld, verzocht de vrouw in 2009 om een bijdrage van €250 per maand van de man. De man voerde verweer met onder meer het argument dat de vrouw geen belang had vanwege haar bijstandsuitkering en dat zijn draagkracht onvoldoende was.
De rechtbank wees het verzoek toe, maar het hof stelde een lagere bijdrage vast, rekening houdend met de nieuwe relatie van de man en de kosten van zijn dochter uit die relatie. Het hof verdeelde de draagkracht over beide kinderen en paste een gemiddeld draagkrachtpercentage toe, waarbij het supplementaire karakter van de Wwb-uitkering werd erkend.
In cassatie werd betoogd dat de vrouw geen belang had, dat de behoefte niet juist was vastgesteld en dat de draagkrachtberekening onjuist was. De Hoge Raad verwierp deze klachten, oordeelde dat het belang van de vrouw niet afhankelijk is van wijziging van omstandigheden, dat het hof niet gebonden is aan de Tremanormen en dat de draagkrachtberekening zorgvuldig en gemotiveerd is uitgevoerd.
De Hoge Raad bevestigde dat de alimentatierechter ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van draagkracht en behoefte, ook bij het betrekken van nieuwe gezinsomstandigheden. Het beroep werd verworpen en de beschikking van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de vaststelling van kinderalimentatie door het hof blijft in stand.